Bert Scholten

Mijn installatie bestaat uit 5 beamer projecties van basale geanimeerde lijntekeningen. De vrijstaande projecties van witte bewegende lijnen op de vloer, wanden en plafond tonen spelende mensfiguren. Ze zijn verwikkeld in taferelen als schommelen, schaatsen en stoelendansen. Met een jeugdige toewijding vervullen de ze hun rol. Maar kinderen zijn het zeker niet.
De volwassen mensen herhalen telkens dezelfde handeling. Ze spelen. Opnieuw en opnieuw. Ze oefenen eindeloos en proberen telkens weer opnieuw. Aan doorzettingsvermogen ontbreekt het de mensfiguren niet.
In elke animatie ben ik op zoek naar hoe deze zich verhoudt tot de beschouwer. Door middel van de ruimte waarin hij gepresenteerd wordt probeer ik de beweging of het zwaartepunt te benadrukken. ‘Op’ toont een schaatser gezien vanaf onder geprojecteerd op het plafond. Hierdoor plaats ik de beschouwer als het ware onder het ijs. De beschouwer krijg hierdoor ook een rol toebedeeld.
De tekeningen zijn minimaal en gestileerd. De cartooneske figuren, de luchtige onderwerpen en het medium animatiefilm zet ik in om toegankelijkheid te creëren. Naast deze toegankelijkheid wil ik altijd een tegenwicht vinden. Iets zwaarders. Dit kan een hele subtiele ongrijpbare spanning zijn, een ondertoon die in de beelden zit. Of een tergende hoeveelheid lichtheid zodat het vanzelf zwaar wordt. Ook vind ik het simpelweg in het tonen van de menselijke conditie. Daarom ben ik op zoek naar een minimaal, universeel beeld van de mens.
De projectie ‘Neer’ toont een figuur die met de buik op een schommelzitting ligt. Deze figuur draait rond en wikkelt hierbij de schommeltouwen om elkaar. Hoe hoger de figuur komt, hoe strakker het touw om de rug knelt. Boven aangekomen zwiert de figuur weer naar beneden. Daarna weer omhoog, enzovoorts.
De mythische figuur Sisyphus is gedoemd zijn hele leven een rotsblok een berg op te tillen. Als hij boven is rolt het blok weer naar beneden en kan hij weer opnieuw beginnen. De animaties doen denken aan deze mythe. De figuren doen een soortgelijke oneindige handeling, maar lijken toch tevreden met deze kwelling. De kwelling hebben ze geaccepteerd.
“Spel is niet het ‘gewone’ of ‘eigenlijke’ leven” stelt Johan Huizinga in Homo Ludens, “Reeds het kleine kind weet volkomen, dat hij ‘maar zoo doet’, dat het ‘maar voor de grap’ is.” Het spel lijkt mij juist deel van het gewone, eigenlijke leven. Het spel, het oefenen, zelfs het voor spek en bonen meedoen. Het is allemaal evengoed meedoen. Misschien spreekt het sommigen aan om bevrijd te zijn van het echte en eigenlijke leven, mij lijkt het reëler te werken aan een aantrekkelijker echt en eigenlijk leven.
Deze bovenstaande zinnen komen overeen met de conclusie uit mijn scriptie over het falen. Een lofzang die van het sadisme en leedvermaak van Markies de Sade naar het banale kwaad van Arnon Grunberg gaat. Via de anti held en de slapstick van Jacques Tati naar een absurde en komische acceptatie van Albert Camus en Simon Critchley. De songteksten van Ben Wallers (Country Teasers, The Rebel) gebruik ik daarna om bij de zogenaamde oefenantropolgie van Peter Sloterdijk te eindigen.